De grote overstromingen rond 1800

In de jaren rond 1800 hadden er drie grote overstromingen plaats die nu als Nationale Ramp zouden worden aangemerkt, waarbij die van 1809 de kroon spande, schreef historicus Cor van der Heijden in 2002 in NRC.

Deze ramp kwam niet onverwacht; de bewoners van de bedreigde gebieden hadden tijdig maatregelen kunnen treffen. Desondanks vonden 275 mensen de dood, verdronken er duizenden stuks vee en werden minstens duizend huizen geheel vernield. Naar schatting 100.000 mensen ondervonden aan den lijve de gevolgen van deze overstroming.

Dijkdoorbraak bij Kedichem 1809. Jan Anthonie Langendijk. Bron: Rijksmuseum.

De voorgeschiedenis van de watersnood van 1809 lijkt op die van voorgaande overstromingen. Hierbij was telkens het winterse weer – en niet zozeer perioden van zeer hevige regenval – de oorzaak van het hoge waterpeil. Vanaf medio december 1808 wisselden vorst- en dooiperioden elkaar af. De rivieren vroren snel dicht, maar door de korte dooi-intervallen raakte het ijs telkens weer in beweging en werd het opgestuwd. IJsdammen en hoge waterstanden waren hiervan het gevolg.

De autoriteiten gaven in een stroom verordeningen en richtlijnen uiting aan hun bezorgdheid. Nog voor de jaarwisseling werd gevraagd de buitendijks gelegen schuiten binnendijks te brengen zodat ze, in geval van nood, ingezet zouden kunnen worden voor reddingswerk of hulpverlening. Bakkers moesten extra meel en graan inslaan. Twee weken later kregen de dijkbesturen verlof om onder dwang manschappen, paarden en materialen voor dijkverdediging te vorderen. Indien nodig mochten zelfs de huzaren worden ingezet om dit af te dwingen.

DELEN